gemaal met sluis 1911Het voormalig scheprad-stoomgemaal, gebouwd in 1871 (getuige de gedenksteen in de noordmuur) in waterschapsstijl, werd vernoemd naar de polder, die de naam van het geslacht Teylingen kreeg. Onder voorzitterschap van de heer Van Loon werd opdracht gegeven tot de bouw. Het gebouw, met een afzonderlijke machinekamer en ketelruimte, wordt gekenmerkt door een zadeldak tussen puntgevels met geveltoppen en schouderstukken van natuursteen. De muren hebben spaarvelden met klimmende friezen, waarin gietijzeren rondboogvensters met een gepleisterde geprofileerde omlijsting zijn gezet. Tevens zijn gietijzeren rozet-ankers in lange gevels aangebracht. De vrijstaande schoorsteen, bijna 21 m hoog, rust op een vierkante sokkel, die ondergronds met het ketelhuis is verbonden. Het machinegebouw werd in 1907 fors gewijzigd door een plat afgedekte aanbouw met grote rondboogvensters. Dit werd noodzakelijk vanwege de vervanging van het scheprad door een centrifugaalpomp en de complete vervanging van de stoommachine. De kleinere machine maakte het mogelijk een werkplaats in te richten. Eind jaren veertig werd de schoorsteen bijna 6 meter verlaagd wegens bouwvalligheid. In 1953 werd het gemaal geëlektrificeerd, waarvoor de werkplaats werd opgeofferd ten behoeve van een 10 kV onderstation dat nodig was om de zware elektromotor van voldoende stroom te kunnen voorzien. Pas in de zestiger jaren werd de stoominstallatie definitief buiten gebruik gesteld, de ketel afgevoerd en de houten kolenloods gesloopt. De kolenloods heeft nog jaren bij de timmerman in Kamerik gestaan als werkplaats.

De oorspronkelijke houten sluis ten oosten van het gemaal werd in 1911 in 3 maanden vernieuwd in beton met omloopriolen met windwerken voorzien van ijzeren tandheugels en nieuwe sluisdeuren. De sluis is daarmee één van de eerste betonnen sluizen van Nederland. Het werd in 1961 buiten gebruik gesteld door de bouw van een lage brug bij de Rijn en in de jaren zeventig met afval, puin en zand dichtgestort.